ECLI:NL:CRVB:2017:2248
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Wubo wegens onvoldoende aantonen directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld
Appellant, geboren in 1938 in het toenmalig Nederlands-Indië, diende een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). De aanvraag werd door de Pensioen- en Uitkeringsraad afgewezen omdat niet aannemelijk was gemaakt dat appellant persoonlijk en direct getroffen was door oorlogsgeweld.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat volgens artikel 2 van Pro de Wubo alleen personen die tijdens de oorlogsjaren of de aansluitende Bersiap-periode lichamelijk of psychisch letsel hebben opgelopen door direct verbonden handelingen of omstandigheden in aanmerking komen voor erkenning. De Raad stelde vast dat appellant niet kon aantonen dat hij direct betrokken was bij beschietingen in Kertosono, bombardementen op Soerabaja of gevechten tussen Britse soldaten en opstandelingen.
Hoewel appellant onder moeilijke omstandigheden heeft geleefd, is dat onvoldoende voor toekenning van een Wubo-uitkering. De Raad benadrukte dat de Wubo een beperkte strekking heeft en dat de wettelijke criteria strikt moeten worden toegepast. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat hij persoonlijk en direct betrokken was bij oorlogsgeweld.