ECLI:NL:CRVB:2017:2310
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- E.C.R. Schut
- M. Schoneveld
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding
Appellant keerde na vier jaar detentie in het buitenland terug naar Nederland en vroeg bijstand aan als alleenstaande, waarbij hij aangaf tijdelijk bij zijn moeder te verblijven maar ingeschreven te staan op een ander adres waar hij inwonend was bij een derde (O). De Dienst Werk en Inkomen (DWI) voerde een onderzoek uit naar zijn woonsituatie en concludeerde dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met O. Op basis daarvan wees het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag af.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het college niet beschikte over informatie die hij tijdens zijn detentie via Reclassering Buitenland aan Nazorg had verstrekt, waardoor hij onjuist was geïnformeerd en een andere rechtspositie kreeg. De Raad oordeelde dat bij de beoordeling van de aanvraag uitsluitend objectieve criteria gelden en motieven of aard van de relatie niet relevant zijn.
De Raad concludeerde dat appellant en O in de relevante periode een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor appellant niet als zelfstandig subject van bijstand kon worden beschouwd. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen omdat appellant een gezamenlijke huishouding voert en daardoor niet zelfstandig bijstandsgerechtigd is.