Uitspraak
27 maart 2014, 13/5770 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als hulpconciërge bij een stichting en meldde zich op 10 november 2011 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Zijn dienstverband eindigde op 1 augustus 2012. Het UWV verstrekte hem een Ziektewetuitkering, die op 25 juni 2013 werd beëindigd met ingang van 1 juli 2013, omdat een verzekeringsarts oordeelde dat appellant weer geschikt was voor arbeid.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond, omdat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en uitkomsten van het medisch onderzoek. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn klachten waren onderschat en dat hij energetisch beperkt was, mede door een whiplashsyndroom, en dat zijn klachten voortkwamen uit een ongeval in maart 2010.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het medisch onderzoek. De verzekeringsarts had appellant gezien, dossiers bestudeerd en informatie van behandelaars betrokken. Er waren geen aanwijzingen dat de psychische klachten waren onderschat of dat appellant niet geschikt was voor zijn arbeid. Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellant geschikt is voor zijn arbeid als hulpconciërge.