ECLI:NL:CRVB:2017:2358

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juli 2017
Publicatiedatum
11 juli 2017
Zaaknummer
16/2342 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PWArt. 31 PWArt. 34 PW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de aanschaf van een koel-/vriescombinatie, wasmachine en fornuis met oven. Het college wees de aanvraag af omdat vervanging van duurzame gebruiksgoederen wordt beschouwd als incidentele algemene kosten die uit het inkomen op bijstandsniveau moeten worden voldaan.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat zijn lage inkomen, schuldenlast en fysieke en geestelijke problemen bijzondere omstandigheden zijn die bijzondere bijstand rechtvaardigen.

De Raad oordeelde dat het inkomen op bijstandsniveau geen bijzondere omstandigheid is, omdat appellant geacht wordt te kunnen reserveren voor deze kosten. Schulden en terugbetalingsverplichtingen vormen eveneens geen bijzondere omstandigheden. De fysieke en geestelijke klachten waren onvoldoende onderbouwd om als zodanig te gelden.

Daarom is de afwijzing van de bijzondere bijstand terecht en wordt het hoger beroep verworpen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen is terecht afgewezen wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

16/2342 PW
Datum uitspraak: 11 juli 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
8 april 2016, 15/6335 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.F.M. den Hollander, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2015. Namens appellant is verschenen mr. Den Hollander
.Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving met ingang van 29 december 2014 in aanvulling op zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. De WW-uitkering van appellant is met ingang van
7 februari 2015 beëindigd.
1.2.
Appellant heeft op 9 maart 2015 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van een koel-/vriescombinatie, een wasmachine en een fornuis met oven. Bij zijn aanvraag heeft appellant een pro-forma nota overgelegd voor een bedrag van in totaal
€ 1.232,-.
1.3.
Bij besluit van 19 maart 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 augustus 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat de kosten voor vervanging van duurzame gebruiksgoederen behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Bijzondere omstandigheden die tot bijstandverlening moeten leiden ontbreken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft - samengevat - aangevoerd dat zijn lage inkomen, in combinatie met zijn schuldenlast en zijn fysieke en geestelijke problematiek bijzondere omstandigheden opleveren voor het verlenen van bijzondere bijstand.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 35, eerste lid, van de PW is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het
college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij
artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.
4.2.
De aanvraag om bijzondere bijstand heeft betrekking op de kosten van duurzame gebruiksgoederen. Het gaat hier om incidentele algemene kosten van het bestaan, die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau en de aanwezige draagkracht dienen te worden voldaan. Dit is niet anders als voor het maken van deze kosten een objectieve noodzaak bestaat. Of iemand voor de kosten heeft kunnen reserveren of de kosten via gespreide betaling achteraf kan voldoen, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.3.
Tussen partijen is in geschil of de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft gevraagd voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, waarbij het met name gaat om de vraag of appellant de mogelijkheid heeft gehad om te reserveren voor deze kosten.
4.4.
De rechtbank heeft juist geoordeeld dat van bijzondere omstandigheden als bedoeld in 4.2 in dit geval geen sprake was. Het ontvangen van een inkomen op bijstandsniveau is geen bijzondere omstandigheid, nu appellant wordt geacht te kunnen reserveren. Het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en eventueel daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichtingen kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW. Dat appellant naast de door hem gestelde financiële problematiek tevens kampt met fysieke en geestelijke klachten kan, los van het feit dat deze klachten niet nader zijn onderbouwd, evenmin als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen terecht heeft afgewezen. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak
.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2017.
(getekend) M. Hillen
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
HD