ECLI:NL:CRVB:2017:2479

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juli 2017
Publicatiedatum
19 juli 2017
Zaaknummer
15/8335 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA- en Ziektewetuitkering en afwijzing schadevergoeding

Appellante was werkzaam als tomatenplukster en schoonmaakster en meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV wees haar verzoek om een WIA-uitkering af omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, gebaseerd op medische rapporten en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Ook werd haar Ziektewetuitkering beëindigd omdat zij volgens het UWV weer geschikt was voor arbeid.

Appellante maakte bezwaar tegen beide besluiten, maar deze werden door het UWV gehandhaafd. De rechtbank Rotterdam verklaarde de beroepen ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig medisch onderzoek had verricht en de beperkingen van appellante niet waren onderschat. De rechtbank vond dat de geselecteerde functies passend waren en dat appellante niet meer ongeschikt was voor haar arbeid.

In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen, onderbouwd met een rapport van Instituut Psychosofia, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere overwegingen en vond geen aanleiding voor nader onderzoek. De Raad bevestigde dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geschikt voor ten minste één functie op de arbeidsmogelijkhedenlijst. De verzoeken om schadevergoeding werden afgewezen.

De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraken terecht zijn en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door M. Greebe op 5 juli 2017.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA- of Ziektewetuitkering en wijst de schadevergoeding af.

Uitspraak

15/8335 WIA, 15/8336 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van
17 december 2015, 15/1334 (aangevallen uitspraak 1) en 18 december 2015, 15/2356 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 5 juli 2017
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken en verzocht om schadevergoeding.
Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.
De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting op 24 mei 2017. Appellante en mr. De Jonge zijn met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is via een uitzendbureau werkzaam geweest als tomatenplukster gedurende
40 uur per week en heeft daarnaast schoonmaakwerkzaamheden verricht gedurende tien uur per week. Zij heeft zich op 5 november 2012 met psychische en lichamelijke klachten ziek gemeld voor het werk als tomatenplukster. Het Uwv heeft appellante vanaf 5 november 2012 ziekengeld verstrekt op grond van de Ziektewet (ZW). Bij het einde van het dienstverband voor de schoonmaakwerkzaamheden op 18 februari 2014 was zij ook voor die werkzaamheden ongeschikt wegens voortdurende psychische en lichamelijk klachten. Het Uwv heeft appellante met ingang van 18 februari 2014 een (tweede) ZW-uitkering toegekend.
1.2.
Op 15 juli 2014 heeft appellante het Uwv verzocht haar in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 8 september 2014 heeft het Uwv bepaald dat appellante met ingang van
3 november 2014 geen WIA-uitkering krijgt, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Zij is volgens het Uwv niet meer geschikt voor haar werk als tomatenplukster, maar wel voor andere functies. Aan dit besluit liggen een rapport van een verzekeringsarts van 19 augustus 2014, een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 juli 2014 en een rapport van een arbeidsdeskundige van 3 september 2014 ten grondslag.
1.3.
Appellante heeft tegen het besluit van 8 september 2014 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 februari 2015 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en zijn beslissing gehandhaafd dat appellante niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 januari 2015, een aangepaste FML van 12 januari 2015 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 17 februari 2015.
1.4.
Inmiddels had appellante zich – vanuit de situatie dat zij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet – op 20 januari 2015 opnieuw ziek gemeld bij het Uwv met toegenomen psychische en lichamelijke klachten. Appellante is op 16 februari 2015 onderzocht door een bedrijfsarts van het Uwv, die heeft geconcludeerd dat appellante belastbaar is conform de FML van 12 januari 2015. Bij besluit van 16 februari 2015 heeft het Uwv bepaald dat appellante met ingang van 17 februari 2015 weer geschikt is voor de functies die ten grondslag liggen aan de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA per 3 november 2014.
1.5.
Appellante heeft tegen het besluit van 16 februari 2015 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 april 2015 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en zijn beslissing gehandhaafd dat appellante met ingang van 17 februari 2015 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de ZW. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 maart 2015 ten grondslag.
2.1.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
2.2.
Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit om appellante niet in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering is gebaseerd op een zorgvuldig medisch onderzoek, waarbij door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is betrokken dat bij appellante de diagnoses paniekstoornis met agorafobie en fibromyalgie zijn gesteld en dat appellante het medicijn Tramadol gebruikt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens de rechtbank voldoende inzichtelijk gemaakt waarom appellante niet voldoet aan de criteria van de Standaard verminderde arbeidsduur en uitvoerig toegelicht dat appellante in medische zin in staat is om werkzaamheden te verrichten conform de FML van 12 januari 2015. Naar het oordeel van de rechtbank is appellante er met het rapport van Instituut Psychosofia niet in geslaagd aannemelijk te maken dat haar beperkingen op 3 november 2014 ernstiger waren dan waarvan de verzekeringsarts bezwaar en beroep is uitgegaan. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies voor appellante geschikt zijn en dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante terecht heeft bepaald op minder dan 35%.
2.3.
Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat wat appellante in beroep heeft aangevoerd geen reden geeft de juistheid in twijfel te trekken van het medische oordeel, dat ten grondslag ligt aan bestreden besluit en voortvloeit uit een volgens de rechtbank zorgvuldig medisch onderzoek. De rechtbank heeft bij haar oordeel betrokken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport in de WIA-zaak van 12 januari 2015 is ingegaan op de informatie die van de behandelend psycholoog en de behandelend reumatoloog was ontvangen en met die informatie rekening heeft gehouden bij de aangepaste FML van diezelfde datum. Volgens de rechtbank heeft het Uwv appellante terecht met ingang van
17 februari 2015 in staat geacht tot het verrichten van haar arbeid.
3.1.
Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraken hoger beroep ingesteld.
3.2.
In de WIA-zaak heeft appellante onder meer betoogd dat haar objectieve en herleidbare klachten zijn miskend en dat zij haar stellingen met het rapport van Instituut Psychosofia, dat relevante argumenten bevat, heeft onderbouwd. Zij verwijt het Uwv dat bij haar geen duurbelastingonderzoek is verricht. Zij blijft van mening dat zij meer beperkt is dan met de FML van 12 januari 2015 tot uitdrukking is gebracht.
3.3.
In de ZW-zaak heeft appellante verwezen naar de hogerberoepsgronden die zij in de WIA-zaak heeft geformuleerd en verder betoogd dat de rechtbank in strijd met het beginsel van ‘fair play’ en hoor- en wederhoor de stukken in de WIA-zaak niet bij de ZW-zaak heeft betrokken.
3.4.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.
4. De Raad oordeelt als volgt.
In de WIA-zaak
4.1.
Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar de overwegingen 3.1 en 3.2 van aangevallen uitspraak 1.
4.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in grote lijnen een herhaling van de beroepsgronden die door de rechtbank zijn beoordeeld. De Raad onderschrijft de overwegingen van aangevallen uitspraak 1 volledig. Appellante heeft haar stelling dat haar medische beperkingen door het Uwv zijn onderschat in hoger beroep niet met nadere medische gegevens onderbouwd. De rechtbank heeft aan het rapport van Instituut Psychosofia geen onjuiste betekenis toegekend. Voor een nader onderzoek naar de duurbelasting van appellante is geen reden, omdat in het samenstel van de beschikbare medische informatie in het dossier geen aanwijzing is gelegen dat aan de FML van 12 januari 2015 zou moeten worden toegevoegd dat appellante niet in staat is om voltijds te werken.
4.3.
Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep in de WIA-zaak niet slaagt en aangevallen uitspraak 1 moet worden bevestigd.
In de ZW-zaak
4.4.
Voor het toepasselijke wettelijke kader en voor de invulling van het begrip “zijn arbeid” voor een verzekerde die na het volbrengen van de voor hem toepasselijke wachttijd op grond van de Wet WIA blijvend ongeschikt is voor zijn arbeid en niet in andere arbeid heeft hervat, wordt verwezen naar overweging 3 van aangevallen uitspraak 2. Vaststaat dat bij de beoordeling van de (on)geschiktheid van appellante voor ten minste één van de functies die haar zijn voorgehouden bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA, de ongeschiktheid voor het werk als schoonmaakster buiten beschouwing is gebleven.
4.5.
Met de gevoegde behandeling in hoger beroep is voor beoordeling van wat appellante in de ZW-zaak heeft aangevoerd ook kennisgenomen van alle stukken in de WIA-zaak. Onderschreven wordt het oordeel van de rechtbank dat uit wat appellante over haar gezondheidstoestand op 17 februari 2015 heeft aangevoerd niet valt af te leiden dat het Uwv van die gezondheidstoestand een onjuist beeld heeft gehad. Met de medische informatie die appellante van belang acht, is bij de FML van 12 januari 2015 al rekening gehouden.
4.6.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv terecht ervan is uitgegaan dat appellante op 17 februari 2015 geschikt was voor ten minste één van de functies die staan vermeld op de Arbeidsmogelijkhedenlijst, die de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op 17 februari 2015 heeft opgemaakt in de WIA-zaak. Dat betekent dat ook het hoger beroep in de ZW-zaak niet slaagt en aangevallen uitspraak 2 moet worden bevestigd.
Schade
4.7.
Met het oordeel over de aangevallen uitspraken is gegeven dat voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding geen ruimte is.
5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraken;
- wijst de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2017.
(getekend) M. Greebe
(getekend) R.H. Budde

KP