Uitspraak
16.6145 PW
OVERWEGINGEN
,kan worden vastgesteld of appellant over deze maanden recht heeft op (aanvullende) bijstand. Aan de door appellant overgelegde verklaringen van M. Aksu en
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en verrichtte in de periode mei 2012 tot maart 2014 meerdere geldtransfers naar Turkije ter waarde van €13.410,-. Het college stelde vast dat deze transacties duiden op op geld waardeerbare werkzaamheden die appellant niet had gemeld, waardoor hij zijn inlichtingenverplichting schond.
Het college herzag en trok de bijstand over de betreffende maanden in en vorderde de kosten van bijstand terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het ging om vriendendiensten zonder vergoeding en dat hij niet was geïnformeerd over de meldplicht.
De Raad oordeelde dat het aantal en de omvang van de transacties voldoende bewijs vormen voor op geld waardeerbare werkzaamheden. De inlichtingenverplichting is objectief en appellant had moeten melden, ongeacht of hij inkomsten ontving. Appellant kon niet aannemelijk maken dat hij recht had op bijstand over de betreffende periode. De verklaringen van derden waren onvoldoende onderbouwd.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering bevestigd. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.