Uitspraak
1 maart 2016, 15/7697 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
1 augustus 2014 is aangemerkt als een thuiswonende studerende. Bij genoemd besluit heeft de minister een bedrag van € 2.227,53 aan studiefinanciering van appellante teruggevorderd.
Centrale Raad van Beroep
Appellante werd door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap herzien naar de norm voor een thuiswonende studente en moest een bedrag van €2.227,53 terugbetalen. De minister baseerde dit op een huisbezoek waarbij werd vastgesteld dat appellante niet woonde op het adres waar zij in de basisregistratie personen (brp) stond ingeschreven.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het rapport van het huisbezoek voldoende feitelijke grondslag bood. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het rapport onjuistheden bevatte en dat er een buurtonderzoek had moeten plaatsvinden, evenals een persoonlijk gehoor.
De Raad oordeelde dat de aangevoerde punten een herhaling waren van eerdere bezwaren en onderschreef het oordeel van de rechtbank. Er werden nauwelijks persoonlijke spullen van appellante aangetroffen op het brp-adres, en haar verklaringen werden niet aannemelijk geacht. Het huisbezoek bood voldoende grondslag voor de herziening en er was geen noodzaak voor een buurtonderzoek of persoonlijk gehoor.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees een veroordeling in de proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de studiefinanciering wordt bevestigd.