Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als medewerker lakkerij, meldde zich ziek met klachten aan zijn rechter elleboog en andere lichaamsdelen. Het UWV stelde vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op een WGA-uitkering bestond. Appellant ontving aanvankelijk een WGA-uitkering, die later werd beëindigd na een medische beoordeling in 2013.
Appellant voerde aan dat zijn gezondheid was verslechterd, onder meer door een operatie aan zijn rechter elleboog in mei 2015 en psychische klachten zoals een depressieve stoornis. De rechtbank oordeelde echter dat de medische beoordeling van het UWV zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren voor een ernstigere beperking. De arbeidsdeskundige bevestigde dat er voldoende passende functies waren en dat de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35% bleef.
In hoger beroep stelde appellant dat de ernst van zijn klachten was miskend en verzocht om een deskundige. De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat de operatie na de datum in geschil plaatsvond en dat de verzekeringsartsen de beperkingen adequaat hadden beoordeeld. Ook de psychische klachten waren volgens hen mild en goed gemotiveerd beoordeeld. Er was geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de WGA-uitkering wordt bevestigd.