ECLI:NL:CRVB:2017:2736
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schuld bij schoonvader bij vaststelling vermogen eigen woning voor bijstand
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en werd geconfronteerd met een beschikking waarbij het college het vermogen in haar eigen woning hoger vaststelde dan de vrijlating, waardoor bijstand werd verstrekt in de vorm van een geldlening met een krediethypotheek. Appellante stelde dat een lening van €25.000,- bij haar ex-schoonvader, gebruikt voor aflossing van de hypotheek, als schuld in mindering op het vermogen moest worden gebracht.
De rechtbank had dit beroep ongegrond verklaard en het college had het vermogen definitief vastgesteld zonder deze schuld in aanmerking te nemen. De Raad overwoog dat de leningsovereenkomst geen zekerheid op de woning bevatte, waardoor de schuld niet op de woning drukte en niet mocht worden betrokken bij het vermogen gebonden in de woning.
De Raad oordeelde dat het college terecht de bijstand in de vorm van een geldlening had verstrekt en de vestiging van een krediethypotheek had opgelegd. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de bijstand wordt terecht verstrekt onder verband van een krediethypotheek.