ECLI:NL:CRVB:2017:2823
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen studieschuld wegens termijnoverschrijding
Appellante kreeg studiefinanciering toegekend in de vorm van een basisbeurs, een rentedragende lening en een reisrecht over de periode 2005-2012. Na omzetting van de prestatiebeurs in een gift werd haar schuld uit de rentedragende lening vastgesteld op €38.248,32 per 1 januari 2015. Appellante maakte pas in november 2015 bezwaar tegen deze schuld, ruim na het verstrijken van de wettelijke termijn.
De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het bezwaar niet tijdig was ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. De rechtbank bevestigde dit oordeel. Appellante stelde dat zij door haar moeder was opgelicht, die met haar DigiD en bankgegevens misbruik maakte en de lening op haar naam aanvroeg zonder dat zij hiervan wist.
De Raad oordeelde dat de besluiten correct waren bekendgemaakt en dat appellante redelijkerwijs vanaf het begin op de hoogte had kunnen zijn van de lening, mede omdat zij de aanvraag zelf had ondertekend. Het blindelings vertrouwen in haar moeder en het feit dat zij niet wist wat zij tekende, leidt niet tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en wordt niet ingegaan op de inhoudelijke gronden. Het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de studieschuld is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige indiening en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar.