ECLI:NL:CRVB:2017:2840
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wuv-uitkering wegens onvoldoende bewijs vervolging
Appellant, geboren in 1925, diende in februari 2015 een aanvraag in voor toekenningen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Verweerder wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat appellant vervolging in de zin van de Wuv had ondergaan.
Appellant stelde dat hij zich had onttrokken aan verplichte tewerkstelling door onder te duiken en later gevangen te zijn genomen door de Gestapo en overgebracht naar kamp Erica. Hij wist in april 1945 te ontsnappen. Verweerder voerde uitgebreid onderzoek uit, waarbij diverse instanties werden geraadpleegd, maar vond geen bevestiging van de gevangenschap buiten de eigen verklaring van appellant.
De Raad oordeelde dat onderduiken alleen niet voldoende is om vervolging aan te nemen; er moet sprake zijn van vrijheidsberoving door de vijandelijke bezetter. Omdat niet is gebleken dat de gevangenschap voortkwam uit het zich onttrekken aan tewerkstelling, kan het bestreden besluit in stand blijven en wordt het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat niet is gebleken dat appellant vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan.