ECLI:NL:CRVB:2017:3089
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet melden inkomsten uit eigen autobedrijf
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en exploiteerde sinds 1 maart 2014 een eigen autobedrijf waarvan hij inkomsten genoot. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand met ingang van 15 januari 2014 in en vorderde de kosten van bijstand over de periode 15 januari 2014 tot en met 28 februari 2015 terug.
Appellant had nagelaten zijn inkomsten uit het autobedrijf te melden, waardoor hij zijn inlichtingenverplichting schond. Het college beperkte de intrekking tot de periode 1 maart 2014 tot en met 28 februari 2015 en verlaagde de terugvordering dienovereenkomstig. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij wel contact had gezocht met zijn klantmanager en dat hij mogelijk aanspraak had kunnen maken op een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Ook voerde hij aan dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien vanwege zijn financiële situatie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden door de inkomsten niet te melden en dat het college terecht de bijstand had ingetrokken. Het beroep op het Bbz 2004 en de financiële omstandigheden van appellant vormden geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.