Appellante was werkzaam als pedagogisch medewerkster op basis van een 0-urencontract en meldde zich ziek met darmklachten en neerslachtigheid na beëindiging van haar dienstverband. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsartsrapport vast dat zij per 13 augustus 2015 geschikt was voor haar laatst verrichte arbeid, waarna de ziekengelduitkering werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het enkele feit van een geplande afspraak bij een revalidatiearts geen aanleiding gaf tot twijfel over haar geschiktheid op de beslisdatum. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten werden onderschat en dat nog geen definitieve medische diagnose was gesteld, maar kon dit niet met medische stukken onderbouwen.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht de werkzaamheden van een pedagogisch medewerker als maatstaf heeft genomen en dat de gronden van appellante reeds voldoende door de rechtbank waren gemotiveerd weerlegd. Lopende onderzoeken rechtvaardigen geen aanhouding omdat geen concrete aanwijzingen bestaan die de eerdere medische beoordeling ondermijnen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.