ECLI:NL:CRVB:2017:324
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Onterecht hernieuwde vaststelling periodieke Wuv-uitkering wegens ontbreken gezamenlijke huishouding
Appellante, erkend als vervolgde in de zin van de Wuv, kreeg een periodieke uitkering toegekend. Na een wijziging in haar woonsituatie waarbij zij sinds april 2013 op het adres van M stond ingeschreven, stelde de Sociale Verzekeringsbank (verweerder) haar uitkering hernieuwd vast en stelde deze per 1 mei 2015 op nul.
Verweerder baseerde dit op de conclusie dat appellante een gezamenlijke huishouding met M voerde, wat een grond is voor hernieuwde vaststelling volgens de Wuv. Appellante betwistte dit en stelde dat zij kosteloos de zolderverdieping van M bewoonde zonder dat sprake was van gezamenlijke huishouding.
De Raad oordeelde dat hoewel gezamenlijk voorzien in huisvesting aanwezig was, het vereiste van financiële verstrengeling of wederzijdse verzorging ontbrak. M droeg alle kosten en appellante leverde slechts een beperkte bijdrage door schoonmaak, wat onvoldoende is voor wederkerigheid. Daarom was het besluit tot hernieuwde vaststelling onterecht en werd het vernietigd. Tevens werd het eerdere besluit van 14 mei 2015 herroepen en het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot hernieuwde vaststelling van de Wuv-uitkering wordt vernietigd wegens ontbreken van gezamenlijke huishouding.