ECLI:NL:CRVB:2017:325
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoeken om voorlopige voorzieningen inzake vergoeding verzorgingshuis na overlijden echtgenoot
Verzoekster, nabestaande van een erkend vervolgingsslachtoffer, maakte aanspraak op voortzetting van een vergoeding voor het verblijf in een verzorgingshuis na het overlijden van haar echtgenoot. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) had de vergoeding tijdelijk voortgezet voor maximaal vijf jaar, waarna zij het verzoek om verdere financiële ondersteuning afwees. Verzoekster maakte bezwaar tegen deze besluiten en verzocht de Centrale Raad van Beroep om voorlopige voorzieningen om de vergoeding op de oude voet voort te zetten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster onvoldoende concreet had onderbouwd dat zij door het beëindigen van de vergoeding in een financiële noodsituatie was gekomen die onmiddellijke spoed vereiste. Zowel het bezwaar tegen het besluit van november 2011 als het bezwaar tegen het besluit van september 2016 werden niet-ontvankelijk verklaard of afgewezen. De voorzieningenrechter concludeerde dat niet was voldaan aan de voorwaarden van onverwijlde spoed zoals bedoeld in artikel 8:81 Awb Pro.
Daarom werden de verzoeken om voorlopige voorzieningen afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter C.H. Bangma op 26 januari 2017.
Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorzieningen worden afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.