ECLI:NL:CRVB:2017:3297

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 september 2017
Publicatiedatum
26 september 2017
Zaaknummer
17/3573 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A. Stehouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens termijnoverschrijding bij intrekking bijstand

Verzoeker ontving vanaf februari 2013 bijstand samen met zijn echtgenote. Het college van burgemeester en wethouders van Elburg trok de bijstand in november 2015 in vanwege het niet verschijnen op oproepen en het niet aanleveren van gevraagde informatie. Verzoeker stelde digitaal beroep in op 12 mei 2016.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift buiten de wettelijke termijn was ingediend en er geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding. Verzoeker ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat nader onderzoek niet zou bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat de beroepstermijn was begonnen op 25 maart 2016, de dag na verzending van het besluit aan het laatst bekende adres van verzoeker. Het digitale beroepschrift was daardoor te laat ingediend. Er was geen verschoonbare termijnoverschrijding, waardoor het beroep terecht niet-ontvankelijk werd verklaard.

Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het hoger beroep geen kans van slagen had. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen van het beroepschrift en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

17/3573 PW, 17/3972 PW-VV
Datum uitspraak: 12 september 2017
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 maart 2017, 16/2917 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb van
26 mei 2017
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Elburg (college)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Tevens heeft verzoeker op 26 mei 2017 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 31 augustus 2017. Partijen zijn, verzoeker met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Verzoeker ontving samen met zijn echtgenote [echtgenote] (echtgenote) vanaf 19 februari 2013 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW).
1.2.
Bij besluit van 3 november 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 maart 2016 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van verzoeker en zijn echtgenote ingetrokken. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat zij niet zijn verschenen op de oproepen voor gesprekken op 24 september 2015 en 15 oktober 2015 en dat zij niet de door het college gevraagde informatie hebben overgelegd.
1.3.
Verzoeker heeft op 12 mei 2016 (digitaal) beroep ingesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit
niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend en geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
4.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
4.4.
Op grond van artikel 6:7 van Pro de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. De termijn vangt ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
4.5.
Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 28 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2433) heeft het college aan zijn bekendmakingsverplichting als bedoeld in artikel 3:41 van Pro de Awb voldaan als het besluit wordt verzonden naar het laatst bekende adres van betrokkene, ook al is dit niet meer het juiste adres van betrokkene, en betrokkene heeft nagelaten het college van de adreswijziging op de hoogte te stellen.
4.6.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de beroepstermijn is aangevangen op 25 maart 2016, de dag nadat het college het bestreden besluit heeft verstuurd aan het laatst bekende adres van verzoeker. Gelet op 4.4 eindigt de termijn voor het instellen van beroep in dit geval op 6 mei 2016. Dat het college het bestreden besluit, nadat het retour gekomen was met de aantekening ‘vertrokken/onbewoond’, nogmaals aan verzoeker heeft verzonden als bijlage van een e-mailbericht van 31 maart 2016, betekent niet dat er met die verzending per
e-mailbericht een nieuwe beroepstermijn is gaan lopen. Terecht heeft de rechtbank er daarbij op gewezen dat in de rechtsmiddelenvoorlichting onder het bestreden besluit is opgenomen dat de beroepstermijn de dag na verzending aanvangt en dat uit het e-mailbericht van het college van 31 maart 2016 duidelijk blijkt dat het besluit al eerder was verzonden. Voor zover bij verzoeker nog twijfel zou hebben bestaan over de aanvangsdatum van de beroepstermijn, had het op zijn weg gelegen hierover informatie in te winnen bij het college.
4.7.
Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat het door verzoeker op 12 mei 2016 (digitaal) ingediende beroepschrift buiten de beroepstermijn is ingediend. Van verschoonbaarheid als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb is niet gebleken. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 24 maart 2016 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.8.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gelet daarop bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2017.
(getekend) A. Stehouwer
(getekend) J. Tuit

HD