ECLI:NL:CRVB:2017:3319
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende inzicht in financiële situatie
Appellant verhuisde in juni 2014 van Spanje naar Nederland en vroeg op 2 juni 2014 bijstand aan bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college onderzocht zijn financiële situatie en vroeg onder meer bankafschriften en een verklaring over zijn levensonderhoud sinds juni 2014. Uit de bankafschriften bleek dat er verschillende kasstortingen op zijn rekening waren gedaan. Appellant verklaarde dat hij € 8.000,- spaargeld uit Spanje had meegenomen en daarvan leefde.
Het college vroeg vervolgens om een onderbouwde verklaring met verifieerbare bewijsstukken over de kasstortingen, maar vond de verstrekte informatie onvoldoende. Daarom wees het college de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij voldoende bewijs had geleverd dat de kasstortingen afkomstig waren van het spaargeld uit Spanje. De Raad stelde vast dat appellant niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk had gemaakt dat de kasstortingen uit dat spaargeld kwamen. Bovendien bleek dat appellant beschikte over een tweede Spaanse bankrekening die niet was gemeld.
De Raad concludeerde dat appellant zijn inlichtingenverplichting niet was nagekomen en dat het college de aanvraag terecht had afgewezen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand is terecht afgewezen wegens onvoldoende inzicht in de financiële situatie van appellant.