ECLI:NL:CRVB:2017:332
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet overleggen bankafschriften
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand sinds augustus 2013. Naar aanleiding van een anonieme tip over vermeende zwartwerkzaamheden en samenwoning, verzocht het college haar bankafschriften over januari tot en met juni 2015 te overleggen. Hoewel appellante deels stukken aanleverde, ontbraken de bankafschriften van 28 mei tot en met 30 juni 2015.
Het college schortte de bijstand op en trok deze later formeel in op grond van artikel 54 van Pro de Participatiewet vanwege het niet overleggen van de gevraagde gegevens. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het niet aanleveren van de bankafschriften verwijtbaar was en dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet verwijtbaar had gehandeld en dat zij erop mocht vertrouwen dat haar recht op bijstand zou worden voortgezet. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze argumenten geen nieuwe gronden bevatten en bevestigde het oordeel van de rechtbank. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de bijstand gehandhaafd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens het niet tijdig overleggen van bankafschriften wordt bevestigd.