ECLI:NL:CRVB:2017:333
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens gezamenlijke huishouding met voormalige echtgenoot
Appellante heeft bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet, maar het college heeft dit afgewezen omdat zij en haar voormalige echtgenoot hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, wat een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding oplevert. De rechtbank heeft dit besluit bevestigd en het hoger beroep van appellante is eveneens ongegrond verklaard.
Appellante voerde aan dat zij zonder inkomen geen sociale huurwoning kan verkrijgen en dat het recht op bijstand een voorwaarde is om de voormalige echtelijke woning te verlaten, een beroep op het individualiseringsbeginsel. Echter, zij heeft geen concrete gegevens overgelegd die aantonen dat zij daadwerkelijk een woningaanbod zou krijgen indien zij bijstand zou ontvangen.
De Raad merkt op dat bij een concreet woningaanbod opnieuw een aanvraag kan worden ingediend en overleg kan plaatsvinden. Gezien het ontbreken van voldoende bewijs voor individualisering, wordt het beroep afgewezen en blijft het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding van toepassing.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd wegens gezamenlijke huishouding.