ECLI:NL:CRVB:2017:334
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens onvoldoende medewerking aan re-integratietraject
Appellante, een bijstandsgerechtigde, volgde een re-integratietraject bij een cateringbedrijf dat op 1 januari 2016 zou eindigen. Zij verscheen op diverse dagen niet of te laat, waarna het traject op 28 juli 2015 werd beëindigd. Het college van burgemeester en wethouders van Maastricht verlaagde daarop haar bijstand met 50% over juli 2015 vanwege onvoldoende medewerking.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat zij wel medewerking had verleend en dat het college naliet kinderopvang te regelen tijdens de schoolvakantie van haar kinderen. De Raad concludeerde dat appellante onvoldoende medewerking had verleend, onder meer doordat zij zonder overleg afwezig was en haar redenen pas achteraf aanvoerde. De kinderopvang was door het college in gang gezet, maar appellante stelde zelf voorwaarden waardoor opvang niet tot stand kwam.
Verder was een brief van de huisarts over stress en medicatie onvoldoende om verwijtbaarheid uit te sluiten. Het college had de maatregel gematigd tot 50% verlaging vanwege de zorg voor minderjarige kinderen. Appellante's financiële situatie en schuldsanering brachten geen dringende redenen mee om de maatregel verder te matigen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 50% gedurende één maand wordt bevestigd wegens onvoldoende medewerking aan het re-integratietraject.