ECLI:NL:CRVB:2017:336
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende inzicht bestaanskosten na beëindiging onderneming
Appellant heeft op 23 maart 2015 bijstand aangevraagd na beëindiging van zijn onderneming in 2009. Het college heeft gevraagd om objectieve en verifieerbare gegevens over hoe appellant sinds 2010 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Appellant gaf aan dat hij aanvankelijk kon rondkomen van de verkoop van zijn auto’s en goederen, en daarna werd onderhouden door zijn ex-vriendin en vrienden. Het college verstrekte een voorschot maar wees de aanvraag uiteindelijk af wegens onvoldoende bewijs van bijstandbehoevendheid.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij de informatie die hij kon geven had verstrekt en dat gegevens die hij niet meer kon overleggen niet van hem konden worden verlangd. De Raad oordeelde dat appellant zijn verklaringen niet had onderbouwd met objectieve en controleerbare gegevens, waardoor onduidelijk bleef hoe hij in de noodzakelijke kosten van het bestaan had voorzien.
De Raad stelde dat de bewijslast van bijstandbehoevendheid op de aanvrager rust en dat het college niet kon vaststellen of appellant recht had op bijstand in de te beoordelen periode. Het feit dat later bijstand werd toegekend voor een latere periode, veranderde hier niets aan. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd wegens onvoldoende inzicht in bestaanskosten.