ECLI:NL:CRVB:2017:3459
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor woninginrichting wegens ontbreken noodzakelijke verhuizing
Appellante, die sinds 2010 bijstand ontvangt, heeft in 2016 een zelfstandige woning toegewezen gekregen en bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van woninginrichting. Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen wees de aanvraag af omdat de verhuizing niet als noodzakelijk werd beschouwd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat uit een ondersteuningsplan van Stichting Stan uit 2015 bleek dat sprake was van een noodzakelijke verhuizing en dat de verhuizing pas bij woningtoewijzing voorzienbaar was, waardoor reservering voor inrichtingskosten niet mogelijk was. De Raad oordeelde echter dat het ondersteuningsplan slechts aangaf dat begeleid wonen mogelijk was en dat er geen medische noodzaak of urgentieverklaring voor de verhuizing bestond.
De Raad concludeerde dat de kosten van woninginrichting niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet konden worden aangemerkt. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor woninginrichting wordt afgewezen wegens ontbreken van een noodzakelijke verhuizing.