Uitspraak
OVERWEGINGEN
8 november 2015 kan voorts niet worden afgeleid dat appellant meer beperkingen heeft op de datum in geding dan waar het Uwv vanuit is gegaan.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, die vanwege knie- en schouderklachten niet meer kon werken als schilder en pizzabakker, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medische rapporten en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zijn beperkingen werden onderschat en dat hij onvoldoende medisch onderzocht was, mede gezien een knieoperatie in Egypte na de datum in geschil. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees het verzoek om een deskundige af.
In hoger beroep stelde appellant dat de medische beperkingen onjuist waren vastgesteld en dat hij niet boven schouderhoogte kon werken, niet kon tillen met zijn rechterarm en niet lang kon staan of lopen. De Raad concludeerde echter dat de verzekeringsartsen zorgvuldig hadden gehandeld, dat de FML rekening hield met de beperkingen en dat de geselecteerde functies passend waren.
De Raad zag geen reden om een medisch deskundige te benoemen en verwierp het hoger beroep. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.