ECLI:NL:CRVB:2017:3539

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 oktober 2017
Publicatiedatum
13 oktober 2017
Zaaknummer
17/1928 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:119 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening wegens niet tijdig betaald griffierecht en te laat ingesteld hoger beroep

Verzoekster heeft verzocht om herziening van een eerdere uitspraak waarin haar hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht en het te laat indienen van het hoger beroepschrift.

De Raad heeft vastgesteld dat verzoekster in haar verzoek geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die redelijkerwijs niet bekend konden zijn en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. Het verzoek om herziening is dan ook afgewezen omdat het niet bedoeld is voor een hernieuwde discussie over de zaak of de juistheid van de uitspraak.

Verzoekster heeft weliswaar gesteld dat het griffierecht betaald is en het hoger beroep tijdig is ingediend, maar deze stellingen zijn niet met stukken onderbouwd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum op 13 oktober 2017.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

17/1928 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 20 december 2016, 15/3054 ANW-V
Partijen:
[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 13 oktober 2017
PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van
20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4925.
De Svb heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een inhoudelijke reactie te geven op het verzoek.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2017. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij uitspraak van 27 augustus 2014, 14/729, heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van verzoekster tegen een beslissing op bezwaar van 7 januari 2014 ongegrond verklaard.
1.2.
Bij uitspraak van 4 maart 2016 heeft de Raad het hoger beroep van verzoekster tegen deze uitspraak niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij het verschuldigde griffierecht niet binnen de termijn heeft betaald en omdat het hoger beroep buiten de beroepstermijn is ingesteld. De uitspraak van 4 maart 2016 is gedaan onder toepassing van artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
1.3.
Bij uitspraak van 20 december 2016, de uitspraak waarvan herziening is verzocht, heeft de Raad het verzet van verzoekster ongegrond verklaard. Deze uitspraak berust op het oordeel dat verzoekster in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat zij niet in verzuim is geweest. Verzoekster heeft haar stelling dat zij het griffierecht heeft betaald niet met stukken onderbouwd. Voorts heeft de Raad geen grond gezien voor het oordeel dat verzoekster niet kan worden verweten dat het hoger beroepschrift niet binnen de gestelde termijn is ingediend.
2. Verzoekster heeft in haar verzoek herhaald dat zij het griffierecht heeft betaald en dat het hoger beroepschrift tijdig is ingediend. Ze heeft de Raad verzocht haar aanspraak opnieuw te beoordelen.
3. De Raad oordeelt als volgt.
3.1.
Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Het is vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van
3 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN7982) dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Het verzoek om herziening dient dan ook te worden afgewezen, nu niet is gebleken dat verzoekster enig feit of enige omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:119 van Pro de Awb, naar voren heeft gebracht.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van
H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2017.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) H. Achtot

AB