Uitspraak
16.1814 WWB
OVERWEGINGEN
BESLISSING
bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand sinds juni 2012 en woonde vanaf december 2012 op het uitkeringsadres. Na een politieactie waarbij een hennepkwekerij werd geruimd, verklaarde appellant tegenover de politie dat hij niet op het uitkeringsadres woonde. Dit leidde tot een onderzoek door de gemeente Groningen, waarna het college besloot de bijstand met ingang van maart 2013 in te trekken en terug te vorderen.
Appellant voerde aan dat hij pas vanaf mei 2014 niet meer op het adres woonde, maar de Raad oordeelde dat de verklaring en het huurcontract die appellant bij de politie had afgelegd en overgelegd, waaruit bleek dat hij de woning vanaf maart 2013 verhuurde, voldoende feitelijke grondslag boden voor het besluit van het college.
Verder werd een boete opgelegd vanwege het niet naleven van de inlichtingenplicht. Deze boete werd in bezwaar en hoger beroep verlaagd. De Raad oordeelde dat het college, ondanks coulance bij het matigen van de boete, proceskosten aan appellant moest vergoeden.
De Raad bevestigde het bestreden besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstand en veroordeelde het college tot betaling van € 990 aan proceskosten.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand worden bevestigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.