ECLI:NL:CRVB:2017:3782
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet verschijnen en niet verstrekken gevraagde gegevens
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd uitgenodigd voor een gesprek met het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om gevraagde stukken te overleggen. Na het niet verschijnen op het gesprek van 21 september 2015 en het niet overleggen van de gevraagde stukken, werd de bijstand opgeschort en vervolgens ingetrokken met terugvordering van de kosten over de periode van 21 tot en met 30 september 2015.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het buitenproportioneel was dat bijstand niet alleen werd opgeschort, maar ook werd ingetrokken en teruggevorderd, en dat er sprake was van dringende redenen om terugvordering achterwege te laten. De Raad oordeelde dat het college bevoegd was tot intrekking op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet, omdat appellant verwijtbaar had gehandeld door niet te verschijnen en de gevraagde stukken niet te overleggen.
Verder concludeerde de Raad dat de gevraagde stukken relevant waren voor de verlening van bijstand en dat het college redelijkerwijs mocht aannemen dat appellant de uitnodiging tijdig had ontvangen. De financiële omstandigheden van appellant boden geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering en terugvordering worden bevestigd omdat appellant verwijtbaar heeft gehandeld en geen dringende redenen zijn aangetoond.