ECLI:NL:CRVB:2017:379
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- E.C.R. Schut
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwijging financiële feiten
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB vanaf september 2005. In een rechtmatigheidsonderzoek werd vastgesteld dat appellanten belangrijke financiële feiten, zoals de verkoop van goud, een hypothecaire lening en kasstortingen, niet aan het college hadden gemeld. Dit leidde tot intrekking van de bijstand met ingang van oktober 2006 en terugvordering van ruim €103.000.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat zij op advies van een casemanager handelden en dat de betalingen en bestedingen aantoonbaar waren, onder meer door een bouwvergunning, foto’s en verklaringen van een vriend. De Raad oordeelde echter dat deze onderbouwing onvoldoende was, mede doordat contante betalingen niet controleerbaar waren en facturen ontbraken.
De Raad concludeerde dat appellanten de inlichtingenverplichting hadden geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het college was daarom bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand gehandhaafd.