ECLI:NL:CRVB:2017:3883
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning militair invaliditeitspensioen en ingangsdatum na bezwaar en hoger beroep
Appellant, die in militaire dienst was van oktober 1988 tot december 1989, verzocht om toekenning van een militair invaliditeitspensioen wegens een blessure aan zijn rechterpols die hij tijdens een sportles in 1988 zou hebben opgelopen. Een proces-verbaal uit 1990 vermeldde dat het ongeval niet objectief kon worden vastgesteld vanwege het ontbreken van getuigen en bewijs. Na een geneeskundig onderzoek in 2010 werd een dienstverband en een invaliditeit van 20% vastgesteld.
De minister wees het verzoek in 2011 af wegens onvoldoende bewijs, en verklaarde het bezwaar en beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Na een nieuw verzoek in 2013 handhaafde de minister de afwijzing, omdat geen nieuwe feiten waren aangevoerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep vernietigde de Raad het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel. Het latere besluit van maart 2017 kende het pensioen toe vanaf 12 december 2013, maar niet met terugwerkende kracht tot het eerste verzoek in 2010. De Raad oordeelde dat de minister terecht stelde dat er geen nieuwe feiten waren die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigden en dat het besluit niet evident onredelijk was.
De Raad veroordeelde de minister in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. Het beroep tegen het latere besluit werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit wordt gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen het latere besluit wordt ongegrond verklaard, en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten.