Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:4025

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 november 2017
Publicatiedatum
21 november 2017
Zaaknummer
16/7972 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.T.H. Zimmerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen voortzetting bijstand zonder besluit

Appellant ontvangt sinds 1997 bijstand en werd in 2015 geïnformeerd via een brief dat zijn bijstand ongewijzigd wordt voortgezet, met een verwijzing naar algemene verplichtingen. Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, maar het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is.

De rechtbank Oost-Brabant oordeelde dat de brief geen rechtsgevolgen bevat en dus geen besluit is waartegen bezwaar mogelijk is. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, maar herhaalde slechts zijn eerdere argumenten zonder nieuwe gronden aan te voeren.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt dat de brief geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 Awb Pro, waardoor het bezwaar niet-ontvankelijk is. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de brief geen besluit is en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.

Uitspraak

16.7972 PW

Datum uitspraak: 21 november 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
9 november 2016, 16/1178 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2017. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Linders.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 1 april 1997 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet.
1.2.
In het kader van een periodieke rechtmatigheidscontrole heeft het college onderzocht of in de periode na het vorige onderzoek in 2014 wijzigingen zijn opgetreden in de situatie van appellant die van invloed zijn geweest op zijn recht op bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 5 november 2015. Bij brief van 13 november 2015 heeft het college appellant meegedeeld dat de bijstand ongewijzigd wordt voortgezet. Voorts heeft het college appellant in de brief gewezen op de algemene verplichtingen.
1.3.
Bij besluit van 29 februari 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gericht tegen de brief van 13 november 2015 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de brief van 13 november 2015 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat daartegen op grond van artikel 7:1, eerste lid, in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb geen bezwaar kan worden gemaakt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. In de brief van 13 november 2015 zijn geen rechten en plichten in het leven geroepen dan wel bestaande rechten en plichten ten aanzien van het recht op uitkering gewijzigd. Dit betekent dat aan de brief van 13 november 2015 geen rechtsgevolgen zijn verbonden. Om die reden is de brief van 13 november 2015 geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dat wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2017.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) S.A. de Graaff

HD

.