Uitspraak
17 mei 2016, 16/75 (aangevallen uitspraak 1), en 23 december 2016, 16/5652 (aangevallen uitspraak 2)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante kreeg haar bijstandsuitkering ingetrokken omdat zij niet woonachtig was op het opgegeven adres, wat in strijd was met artikel 17 van Pro de Participatiewet. Het college vorderde vervolgens de ten onrechte ontvangen bijstand terug. Appellante maakte geen bezwaar tegen het intrekkingsbesluit, maar verzocht later om herziening met een verklaring van een voormalige huisgenoot.
Het college wees het herzieningsverzoek af op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat de verklaring en andere aangevoerde feiten niet als nieuw konden worden beschouwd en eerder aangevoerd hadden moeten worden. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de intrekking en terugvordering ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat het college ten onrechte alleen toetste op nieuw gebleken feiten en dat een volledige heroverweging nodig was. De Raad oordeelde dat het college terecht artikel 4:6 toepaste Pro en dat de rechtbank het juiste toetsingskader hanteerde. Het herzieningsverzoek bevatte geen nieuwe feiten of omstandigheden en was daarom terecht afgewezen. De terugvordering werd eveneens bevestigd.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraken en wees de hoger beroepen af, zonder aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het intrekkingsbesluit en de terugvordering en wijst het herzieningsverzoek af wegens ontbreken van nieuw gebleken feiten.