ECLI:NL:CRVB:2017:4210

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 december 2017
Publicatiedatum
6 december 2017
Zaaknummer
16-5884 PW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellante heeft in hoger beroep beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was voldaan. Vervolgens stelde appellante verzet in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en verzocht om vrijstelling van het griffierecht.

Tijdens de zitting gaf appellante aan dat zij financieel niet in staat was het griffierecht te betalen en dat zij in eerste aanleg al een beroep op betalingsonmacht had gedaan, waarvan zij dacht dat de Raad op de hoogte was. De Raad oordeelde echter dat appellante geen feiten of omstandigheden had aangevoerd die rechtvaardigen dat zij niet in verzuim was geweest met de betaling.

De Raad stelde vast dat appellante zich niet tijdig tot de Raad had gewend om een beroep op betalingsonmacht te doen binnen de betalingstermijn. De omstandigheden die appellante schetste, brachten niet mee dat zij zich niet tijdig had kunnen melden. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 5 december 2017.

Uitkomst: Het verzet van appellante tegen de niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 5 december 2017
16/5884 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 augustus 2016, 15/6966 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 7 maart 2017 heeft de Raad het namens appellante door
mr. N.J. Glen-Boedhram, advocaat, ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellante heeft mr. Glen-Boedhram verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 24 oktober 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Glen-Boedhram. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 7 maart 2017 berust op de overweging dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 20 oktober 2016 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
In het verzetschrift heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd dat appellante financieel niet in staat is het griffierecht te betalen. Ook heeft de gemachtigde van appellante in verzet een verzoek om vrijstelling van het griffierecht gedaan. Ter zitting is door de gemachtigde van appellante aangevoerd dat pas later is gebleken dat appellante het griffierecht niet kon betalen. Appellante heeft ter zitting aangevoerd dat zij in eerste aanleg een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan. Appellante dacht dat de Raad daarvan op de hoogte was en dat zij niet opnieuw een beroep op betalingsonmacht hoefde te doen.
De Raad is van oordeel dat appellante in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat zij niet in verzuim is geweest. Appellante heeft zich niet binnen de betalingstermijn tot de Raad gewend en een beroep op betalingsonmacht gedaan. De door appellante geschetste omstandigheden brengen niet mee dat appellante zich niet tijdig tot de Raad had kunnen wenden.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2017.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) N.L. Kuipers

HD