ECLI:NL:CRVB:2017:4212

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 december 2017
Publicatiedatum
6 december 2017
Zaaknummer
16-4109 WIA-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 lid 7 AwbArt. 8:108 lid 1 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Appellant stelde in verzet dat hij nooit een verzoek tot betaling had ontvangen, mede vanwege vakantie en mogelijke diefstal van post door een buurvrouw.

De Raad oordeelde dat de aan appellant gerichte brieven, waaronder een aangetekende brief, op het juiste adres waren verzonden en niet retour waren ontvangen. De stelling van diefstal van post was niet onderbouwd met bewijs. Het wettelijke kader biedt geen ruimte om een nieuwe termijn voor betaling van het griffierecht toe te staan.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en bleef de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 december 2017.

Uitkomst: Het verzet van appellant wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep blijft niet-ontvankelijk wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

Datum uitspraak: 5 december 2017
16/4109 WIA-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 mei 2016, 15/1174 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 18 november 2016 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 oktober 2017, waar partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 18 november 2016 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 26 juli 2016 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In het verzetschrift heeft appellant te kennen gegeven dat hij nooit een verzoek tot betaling van het verschuldigde griffierecht heeft ontvangen. Zowel appellant als de hoofdbewoner van de woning hebben nooit getekend voor de ontvangst van een aangetekend stuk. In verband met de vakantieperiode was er niemand aanwezig op het adres. De hoofdbewoner heeft bovendien aangifte gedaan tegen een buurvrouw in verband met diefstal van post. Appellant verzoekt om toezending van een nieuwe nota.
De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat appellant niet kan worden verweten dat het griffierecht niet is betaald. Uit de gedingstukken blijkt dat de aangetekend verzonden brief van 26 juli 2016, evenals een eerdere door de Raad op 24 juni 2016 per gewone post verzonden brief met betrekking tot de verschuldigdheid van het griffierecht, aan het - juiste - adres van appellant is verzonden. Deze brieven zijn bij de Raad niet retour ontvangen. De stelling van appellant met betrekking tot de diefstal van post door een buurvrouw is niet met bewijsstukken onderbouwd. Het wettelijke stelsel biedt geen ruimte om appellant een nieuwe termijn voor de betaling van het griffierecht te gunnen.
Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat de uitspraak van de Raad van 18 november 2016 onjuist is, moet het verzet ongegrond worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2017.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) N.L. Kuipers

HD