ECLI:NL:CRVB:2017:4246

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 december 2017
Publicatiedatum
8 december 2017
Zaaknummer
17-689 ZVW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was voldaan. Vervolgens deed appellant verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.

Tijdens de behandeling van het verzet stelde appellant dat sprake was van betalingsonmacht en verwees naar eerdere vrijstellingen van griffierecht door diverse rechterlijke instanties, waaronder de Hoge Raad. De Raad oordeelde echter dat appellant dit beroep op betalingsonmacht pas in het verzet heeft gedaan en niet binnen de termijn voor betaling van het griffierecht, waardoor hij in verzuim was.

De Raad benadrukte dat eerdere vrijstellingen op grond van dezelfde informatie niet automatisch vrijstelling geven bij een nieuwe heffing; voor elke heffing moet opnieuw vrijstelling worden gevraagd met recente informatie. Gezien het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-betaling van griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 5 december 2017
17/689 ZVW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2016, 16/1486 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
CAK, namens deze het Centraal Justitieel Incassobureau

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 23 juni 2017 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 oktober 2017, waar partijen niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 23 juni 2017 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 7 maart 2017 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In verzet heeft appellant onder meer aangevoerd dat sprake is van betalingsonmacht. Appellant wijst er op dat door diverse rechterlijke instanties, waaronder de Hoge Raad als hoogste rechterlijke instantie, op verschillende momenten op grond van dezelfde informatie en bewijsstukken, vrijstelling van betaling van griffierecht is verleend.
In verzet zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Appellant heeft pas in verzet, en dus niet binnen de termijn waarbinnen het griffierecht moest worden voldaan, een beroep op betalingsonmacht gedaan
.
Ter voorlichting van appellant overweegt de Raad, ten overvloede, dat de stelling van appellant dat hij eerder door een gerecht op enig moment is vrijgesteld van betaling van griffierecht, niet weg neemt dat appellant bij een heffing van griffierecht op een ander moment opnieuw om vrijstelling dient te vragen en desgevraagd de nodige recente informatie dient te verschaffen. Het gerecht waaraan om vrijstelling van het griffierecht wordt gevraagd zal op basis van de door de verzoeker over te leggen informatie - zie daarvoor onder meer ECLI:NL:CRVB:2015:282 - hebben te beoordelen of vrijstelling van het griffierecht kan worden verleend.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2017.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) N.L. Kuipers

HD