Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:4426

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 december 2017
Publicatiedatum
22 december 2017
Zaaknummer
16/1813 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbAlgemene Ouderdomswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering herziening AOW-besluit wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden

Appellant had bij besluit van 4 mei 2010 een AOW-pensioen toegekend gekregen met een korting van 48% wegens ruim 24 niet-verzekerde jaren. Bezwaar en beroep daartegen werden ongegrond verklaard en het besluit werd onherroepelijk.

In 2015 verzocht appellant om herziening van het besluit, stellende dat hij recht had op een hoger pensioen als grensarbeider en bracht een uittreksel uit de basisregistratie personen in. Dit verzoek werd afgewezen omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat de aangevoerde argumenten niet nieuw waren en dat appellant onvoldoende concrete gegevens had geleverd om het besluit van 2010 onjuist te achten.

De Raad benadrukte dat bij herhaalde aanvragen op grond van artikel 4:6 Awb Pro de bestuursrechter toetst of het bestuursorgaan zich terecht en zorgvuldig op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn. Dit was hier het geval, waardoor het hoger beroep faalde.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: Het verzoek om terug te komen van het AOW-besluit wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

16/1813 AOW
Datum uitspraak: 22 december 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
12 januari 2016, 15/2378 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , België (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2017. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 4 mei 2010 is aan appellant een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend, waarbij een korting is toegepast van 48% wegens (ruim) 24 niet-verzekerde jaren. Bij besluit van 28 juni 2010 is het tegen het besluit van 4 mei 2010 ingediende bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 1 juni 2011 het beroep tegen het besluit van 28 juni 2010 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van
21 oktober 2011 is het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. Hiermee is het besluit van 4 mei 2010 rechtens onaantastbaar geworden.
1.2.
Appellant heeft de Svb op 10 februari 2015 verzocht terug te komen van het besluit van
4 mei 2010 en vast te stellen dat hij recht heeft op een hoger pensioen. Hij heeft in dat kader een uittreksel uit de basisregistratie personen van 9 februari 2015 ingebracht. Bij besluit van 27 februari 2015 is dit verzoek afgewezen, omdat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. Verder is niet gebleken dat het besluit van 4 mei 2010 onmiskenbaar onjuist is. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat hij als grensarbeider recht heeft op een hoger pensioen.
1.3.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 februari 2015 is bij besluit van
12 maart 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij gedurende meer periodes dan door de Svb is aangenomen, verzekerd is geweest op grond van de AOW. Niet is gebleken dat het besluit van 4 mei 2010 onjuist zou zijn.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij op grond van zijn werkzaamheden in Nederland recht heeft op een hoger pensioen. De Svb heeft ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de door hem ingebrachte lijst van werkgevers.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is in geschil of de Svb heeft mogen weigeren om terug te komen van het besluit van 4 mei 2010.
4.2.
De aanvraag van appellant is een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft – ook – de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.
4.3.
Met wat door appellant naar voren is gebracht en aan stukken is ingebracht, is niet voldaan aan het in artikel 4:6 van Pro de Awb gestelde vereiste van “nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden”, nu deze argumenten naar voren hadden kunnen en moeten worden gebracht in de eerdere procedure tegen het besluit van 4 mei 2010. De Svb was derhalve wat betreft het verleden bevoegd om het verzoek om herziening onder verwijzing naar het besluit van 4 mei 2010 af te wijzen.
4.4.
Wat betreft de periode vanaf de aanvraag van 10 februari 2015 wordt geoordeeld dat de enkele stelling van appellant, dat hij voor verschillende bij naam genoemde werkgevers heeft gewerkt, onvoldoende concreet is om te kunnen concluderen dat de in het besluit van 4 mei 2010 vermelde niet-verzekerde tijdvakken onjuist zouden zijn. Het ligt in het kader van een herhaalde aanvraag op de weg van appellant om concrete en verifieerbare gegevens aan te dragen die nopen tot nader onderzoek. Daarin is hij niet geslaagd. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om het besluit van 4 mei 2010 onjuist te achten.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2017.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) H. Achtot
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

RB