Appellante kreeg vanaf juli 2013 studiefinanciering toegekend als uitwonende studente, gebaseerd op haar inschrijving in de basisregistratie personen (brp) op een bepaald adres. In oktober 2015 voerden controleurs een huisbezoek uit, waarna de minister concludeerde dat appellante niet op het brp-adres woonde en de studiefinanciering per 1 juli 2013 herzag naar de thuiswonende norm, met terugvordering van € 5.615,26.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij tot 22 september 2015 op het brp-adres woonde. De minister verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde dat appellante niet onomstotelijk had bewezen dat zij vóór 22 september 2015 op het brp-adres woonde en wees het beroep af.
In hoger beroep stelde appellante dat de verklaringen over haar woonsituatie bevestigd konden worden door getuigen. De Raad oordeelde dat het bewijs van het huisbezoek onrechtmatig was verkregen en daarom niet toelaatbaar. Zonder dit bewijs en zonder geldige verklaringen van appellante was er geen voldoende feitelijke grondslag voor het besluit van de minister.
De Raad stelde dat verklaringen die volgen uit confrontatie met onrechtmatig bewijs alleen als bewijs kunnen dienen indien de betrokkene goed is geïnformeerd over de gevolgen daarvan. Dit was niet het geval, waardoor de verklaringen niet bruikbaar waren. Het bestreden besluit ontbeerde daardoor een deugdelijke motivering en werd vernietigd. Tevens werd het besluit van 13 november 2015 herroepen en de minister veroordeeld in de proceskosten.