ECLI:NL:CRVB:2017:508
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wegens voorliggende voorziening VBL
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, had bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor maatschappelijke opvang volgens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het college verplicht tot het bieden van opvang. Zowel betrokkene als het college gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Ondanks dat betrokkene niet werd toegelaten tot de VBL, blijft dit oordeel staan omdat bezwaar tegen weigering bij de vreemdelingenrechter mogelijk is.
Verder werd geoordeeld dat betrokkene instemde met uitstel van de beslistermijn op zijn bezwaar, waardoor geen dwangsom verschuldigd was voor het niet tijdig beslissen.
De Raad bevestigde het deel van de uitspraak dat een dwangsom toekent voor het niet tijdig beslissen op een ander bezwaar, vernietigde de rest van de uitspraak en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen maatschappelijke opvang te bieden op grond van de Wmo wegens de voorliggende voorziening VBL.