ECLI:NL:CRVB:2017:509
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang wegens voorliggende voorziening in Vluchthaven
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van de Vreemdelingenwet 2000, verzocht om maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college wees de aanvraag af, stellende dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL), hier de Vluchthaven aan de Havenstraat te Amsterdam, een voldoende en voorliggende voorziening is.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en bepaalde dat betrokkene recht heeft op opvang conform de Wmo. Zowel betrokkene als het college gingen in hoger beroep. Betrokkene trok het hoger beroep in, zodat alleen het hoger beroep van het college werd behandeld.
De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte voor de tweede keer over hetzelfde besluit had geoordeeld en vernietigde dit deel van de uitspraak. Vervolgens stelde de Raad vast dat de opvang in de VBL een voorliggende voorziening is die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt, zoals eerder in een uitspraak van november 2015 was vastgesteld. Daarom verklaarde de Raad het beroep van het college gegrond en het beroep tegen het afwijzingsbesluit ongegrond.
De Raad wees proceskosten af en deed uitspraak in het openbaar op 15 februari 2017.
Uitkomst: Het beroep tegen het afwijzingsbesluit maatschappelijke opvang wordt ongegrond verklaard vanwege het bestaan van een voorliggende voorziening in de Vluchthaven.