ECLI:NL:CRVB:2017:523
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid voor WIA-functies
Appellante was werkzaam als medewerker algemene schoonmaak en meldde zich in 2012 ziek vanwege fysieke en spanningsklachten. Na afloop van de wachttijd stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor vijf geduide functies binnen de WIA. In 2014 meldde zij zich opnieuw ziek, maar het UWV besloot in 2015 dat zij geen recht had op ziekengeld omdat zij geschikt was voor ten minste één functie, namelijk inpakker.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de rapporten deugdelijk gemotiveerd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten werden onderschat en dat relevante medische informatie niet was meegenomen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het begrip ‘zijn arbeid’ in de Ziektewet wordt uitgelegd als de laatst verrichte arbeid, met uitzondering van gevallen waarin de WIA-beoordeling geldt. Omdat appellante geschikt is voor ten minste één van de WIA-geduide functies, is zij niet ongeschikt in de zin van de Ziektewet en heeft zij geen recht op ziekengeld.
De Raad onderschreef de motivering van de rechtbank en het UWV-besluit en stelde vast dat appellante er niet in is geslaagd twijfel te doen ontstaan over de juistheid van het oordeel. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van het ziekengeld bevestigd.