Uitspraak
OVERWEGINGEN
4.5. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunt dat hij vanwege zijn voetklachten arbeidsongeschikt is heeft appellant informatie overgelegd van een sportfysiotherapeut van
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als medewerker groenvoorziening, meldde zich ziek met maag- en darmklachten en werd per 31 maart 2014 ontslagen. Op 9 oktober 2014 werd hij door een verzekeringsarts onderzocht en geschikt bevonden voor zijn laatst verrichte arbeid. Het UWV beëindigde daarop het ziekengeld per 16 oktober 2014, wat appellant betwistte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat zijn voetklachten hem verhinderen langdurig te staan en lopen, wat essentieel is voor zijn functie. De Raad beoordeelde het medisch onderzoek als zorgvuldig, waarbij de verzekeringsarts de ernst van de hielspoorklachten erkende, maar concludeerde dat er geen objectieve belemmeringen meer waren om het werk te verrichten.
Ondanks aanvullende medische informatie van orthopedisch chirurg en anesthesioloog, bleef twijfel bestaan over de ernst en timing van de behandeling. De Raad vond onvoldoende aanknopingspunten om het standpunt van de verzekeringsarts onjuist te achten en bevestigde daarom de eerdere uitspraak dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld vanaf 16 oktober 2014.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.