ECLI:NL:CRVB:2017:596
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens niet woonachtig op opgegeven adres en schending inlichtingenverplichting
Appellant diende op 28 november 2014 een aanvraag om bijstand in, waarbij hij verklaarde te wonen op een adres waar hij sinds juni 2014 stond ingeschreven. De Sociale Dienst Drechtsteden voerde een onderzoek uit, waaronder een huisbezoek op 21 januari 2015, waaruit bleek dat de woning nauwelijks bewoond was. De aanvraag werd afgewezen wegens onvoldoende verstrekte inlichtingen over de woon- en leefsituatie.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld door de onduidelijke woonsituatie. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij feitelijk wel op het opgegeven adres woonde en dat hij vanwege schrijnende financiële omstandigheden weinig bezittingen had.
De Raad oordeelde dat de bewijslast van bijstandsbehoevendheid op appellant rust en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het opgegeven adres woonde. Het huisbezoek toonde een vrijwel onbewoonde woning, en appellant verbleef vrijwel dagelijks bij zijn ouders. Door het niet nakomen van de inlichtingenverplichting kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonachtig was op het opgegeven adres en zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden.