ECLI:NL:CRVB:2017:87
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens niet-nakomen arbeidsinschakelingsverplichting
Appellant ontvangt sinds 2012 bijstand op grond van de WWB en is medisch onderzocht op zijn belastbaarheid. Uit rapportages bleek dat appellant geschikt was voor licht lichamelijk werk zonder urenbeperking. Vanaf mei 2014 volgde appellant een Work First traject bij een bedrijf om arbeidsritme op te doen, maar dit traject werd in juni 2014 voortijdig beëindigd vanwege herhaaldelijk verzuim zonder bericht, ontoegankelijkheid en intimiderend gedrag.
Het college heeft daarop de bijstand met 100% verlaagd voor een maand wegens het niet nakomen van de verplichting tot gebruik van een door het college aangeboden arbeidsinschakelingsvoorziening. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep.
De Raad overweegt dat het toetsingskader de WWB is, dat de verplichting tot gebruik van voorzieningen en medewerking aan arbeidsinschakeling omvat. Hoewel appellant zich beroept op een nieuw medisch rapport dat zijn belastbaarheid beperkt tot 2 à 3 uur per dag, is vastgesteld dat het traject slechts 2 uur per dag omvatte en appellant niet met medische gegevens heeft onderbouwd waarom hij niet kon deelnemen.
Daarom is het college terecht van oordeel dat appellant verwijtbaar tekort is geschoten in zijn verplichtingen. De maatregel van 100% verlaging gedurende een maand is in overeenstemming met de gemeentelijke verordening. Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek tot schadevergoeding wordt geweigerd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% voor een maand wordt bevestigd wegens verwijtbaar niet-nakomen van arbeidsinschakelingsverplichtingen.