ECLI:NL:CRVB:2017:913
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- G.M.G. Hink
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde inkomsten schapenhandel
Appellanten ontvingen vanaf 1992 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek naar illegale schapenslachtingen en een bericht in een regionale krant startte de sociale recherche een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Uit verklaringen van getuigen, bedrijfsadministraties en facturen bleek dat appellant al vanaf 1997 actief was in de schapenhandel en slachtingen, zonder dit te melden aan het college.
Het college trok daarom bij besluit van 11 april 2014, gehandhaafd bij besluit van 2 oktober 2014, de bijstand over de periode 1 juli 1997 tot 24 april 2013 in en vorderde € 279.011,75 terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat zij geen inkomsten uit schapenhandel hadden genoten en dat getuigenverklaringen slechts van horen zeggen waren.
De Raad oordeelde dat de verklaringen concreet, gedetailleerd en onderbouwd waren met facturen en andere bewijsstukken. Appellant had zelf erkend schapen te hebben gekocht en verkocht, en getuigen bevestigden langdurige handel en grote aantallen. De Raad stelde vast dat appellanten de inlichtingenverplichting hadden geschonden en niet aannemelijk hadden gemaakt recht te hebben op bijstand. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.