ECLI:NL:CRVB:2017:997

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 maart 2017
Publicatiedatum
13 maart 2017
Zaaknummer
15-4362 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.T.H. Zimmerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstand na toepassing loonheffingskorting op nabestaandenpensioen

Appellante ontving aanvullend bijstand naast een nabestaandenpensioen. Het college van burgemeester en wethouders van Roermond herzag de bijstand over de periode van 22 februari 2011 tot 1 juni 2011 vanwege een met terugwerkende kracht toegepaste loonheffingskorting op het nabestaandenpensioen, wat leidde tot een teruggave van €1.750 van de Belastingdienst. Hierdoor werd vastgesteld dat appellante te veel bijstand had ontvangen.

Het college vorderde het te veel ontvangen bedrag van €546,42 netto terug en stelde een maandelijkse inhouding van 10% van de bijstandsnorm vast. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze terugvordering ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij nooit te veel bijstand had ontvangen, dat de loonheffingskorting door de Belastingdienst teruggevorderd moest worden en dat de maandelijkse aflossing onjuist was berekend.

De Raad oordeelde dat het herzieningsbesluit onherroepelijk is en dat het college bevoegd is de terugvordering uit te voeren. De berekening van de maandelijkse inhouding volgens de beleidsregel van 10% van de bijstandsnorm is correct toegepast. Het hoger beroep faalde en het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van te veel ontvangen bijstand en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Uitspraak

15/4362 WWB
Datum uitspraak: 7 maart 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 juni 2015, 14/3842 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek gedaan om veroordeling tot vergoeding van schade.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 24 januari 2017. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving ten tijde van belang nabestaandenpensioen en aanvullend bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand.
1.2.
Bij besluit van 1 oktober 2013 (herzieningsbesluit) heeft het college de bijstand over de periode van 22 februari 2011 tot 1 juni 2011 herzien vanwege een met terugwerkende kracht op het nabestaandenpensioen toegepaste loonheffingskorting, als gevolg waarvan appellante een teruggave van de Belastingdienst heeft ontvangen van € 1.750,-. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij besluit van 1 juli 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 november 2014 (bestreden besluit), heeft het college de als gevolg van het herzieningsbesluit teveel ontvangen bijstand tot een bedrag van € 546,42 (netto) van appellante teruggevorderd en besloten dat vanaf 1 september 2014 maandelijks € 95,14 wordt ingehouden op haar bijstand, zijnde 10% van de voor appellante geldende bijstandsnorm.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante heeft aangevoerd dat het bestreden besluit op een onjuiste grondslag berust, aangezien zij nimmer een te hoog bedrag aan bijstand heeft ontvangen. De aanvullende bijstand op haar nabestaandenpensioen is noodzakelijk om een inkomen op het niveau van het wettelijk minimum te garanderen.
4.1.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De beroepsgrond ziet op de vraag of de bijstand over de periode van 22 februari 2011 tot 1 juni 2011 terecht is herzien. Deze vraag is beantwoord in het herzieningsbesluit, dat in rechte onaantastbaar is geworden. Nu in het herzieningsbesluit is vastgesteld dat appellante in de periode van 22 februari 2011 tot 1 juni 2011 ten onrechte een te hoog bedrag aan bijstand heeft ontvangen, dient daarvan in deze procedure te worden uitgegaan.
4.2.
Appellante heeft voorts aangevoerd dat indien sprake is van een ten onrechte uitbetaalde loonheffingskorting, deze door de Belastingdienst dient te worden teruggevorderd en niet door het college. Appellante wijst er in dit verband op dat de loonheffingskorting is gebaseerd op een vroegere dienstbetrekking. De implicatie daarvan is dat deze niet kan worden verrekend met de bijstand.
4.2.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan appellant stelt, gaat het in deze procedure niet om een ten onrechte uitbetaalde loonheffingskorting. In dit geval heeft appellante teveel bijstand ontvangen als gevolg van een achteraf op het nabestaandenpensioen toegepaste loonheffingskorting, wat van appellante wordt teruggevorderd. Het college is het bevoegde bestuursorgaan om de teveel ontvangen bijstand terug te vorderen. Voor zover appellante stelt dat de loonheffingskorting niet kan worden verrekend met de bijstand, wordt onder verwijzing naar 4.1.1 overwogen dat deze stelling zich richt tegen het herzieningsbesluit welk besluit in rechte onaantastbaar is geworden.
4.3.
Appellante heeft ten slotte aangevoerd dat het maandelijkse aflossingsbedrag onjuist is vastgesteld, omdat de 10% niet over de voor haar geldende bijstandsnorm maar over de feitelijk uitgekeerde (aanvullende) bijstand zou moeten worden berekend.
4.3.1.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college met het bestreden besluit heeft gehandeld in overeenstemming met de Beleidsregel herziening, terugvordering en verhaal WWB 2013 van de gemeente Roermond (Beleidsregel). Op grond van artikel 9, tweede lid, van de Beleidsregel is - indien aflossing in één keer niet mogelijk is - het uitgangspunt voor het berekenen van de hoogte van de maandelijkse aflossing een betaling van 10% van de bijstandsnorm. Appellant heeft niet onderbouwd waarom het college in haar geval niet van genoemde bepaling in de Beleidsregel heeft kunnen uitgaan.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor een veroordeling tot schadevergoeding geen grond. Het verzoek daartoe van appellante zal daarom worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling van de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2017.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) A. Mansourova

RH