ECLI:NL:CRVB:2018:1009
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing langdurigheidstoeslag wegens onduidelijk inkomen door verzwegen werkzaamheden
Appellant heeft op 19 juni 2014 een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag op grond van artikel 36 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Maastricht wees deze aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant in de periode van 19 juni 2011 tot 19 juni 2014 een inkomen had dat niet hoger was dan de bijstandsnorm. Dit was met name vanwege werkzaamheden die appellant verrichtte tussen 21 augustus en 17 september 2012, waarvan de inkomsten niet bekend waren.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de werkzaamheden slechts in een korte periode waren verricht en dat het speculatief was om aan te nemen dat hij daardoor een hoger inkomen had dan de bijstandsnorm. De Raad overwoog echter dat het aan appellant was om met verifieerbare bewijsstukken aan te tonen dat zijn inkomen in die periode niet hoger was dan de norm.
Omdat appellant ook in hoger beroep geen gegevens over zijn verdiensten uit de werkzaamheden had overgelegd, moest het risico van het ontbreken van bewijs voor zijn rekening blijven. De Raad concludeerde dat het college terecht het bestreden besluit had genomen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De afwijzing van de langdurigheidstoeslag wordt bevestigd vanwege het ontbreken van bewijs dat het inkomen niet hoger was dan de bijstandsnorm.