ECLI:NL:CRVB:2018:1036
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek
Appellant, werkzaam als schoonmaker, meldde zich ziek vanwege lichamelijke en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Een verzekeringsarts stelde beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), waarna een arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid berekende op 1,87%, onvoldoende voor een uitkering. Het Uwv wees de uitkering af en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat het besluit van het Uwv op een deugdelijke medische grondslag berustte en dat de geselecteerde functies passend waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen ernstiger waren, mede vanwege psychische klachten en medicatiegebruik, en dat een urenbeperking had moeten worden vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen correct waren vastgelegd. De Raad vond geen aanleiding voor een urenbeperking, omdat geen specifieke indicatie hiervoor bestond. Ook achtte de Raad de geselecteerde functies geschikt voor appellant.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.