ECLI:NL:CRVB:2018:1037

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 april 2018
Publicatiedatum
11 april 2018
Zaaknummer
16/917 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terugkomen op besluit UWV wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om terug te komen op eerdere besluiten tot intrekking en terugvordering van uitkeringen op grond van WW, Ziektewet en WIA. Het UWV heeft dit verzoek afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die een herziening rechtvaardigen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat het gewijzigde standpunt van het UWV in een vergelijkbare zaak van haar dochter als nieuw feit moest worden aangemerkt. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat dit gewijzigde standpunt niet als nieuw feit kan worden beschouwd, omdat het niet gaat om feiten die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet eerder konden worden aangevoerd.

De Raad bevestigde dat het UWV zich terecht en zorgvuldig heeft opgesteld en dat het besluit niet evident onredelijk is. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op zijn besluit wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

16.917 WIA

Datum uitspraak: 11 april 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
22 december 2015, 15/5939 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E.J.W.F. Deen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2018. Voor appellante is
mr. Deen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 31 oktober 2008 heeft het Uwv de uitkering op grond van de Werkloosheidwet (WW) van appellante over de periode van 28 februari 2006 tot en met
13 april 2006 ingetrokken en een bedrag van € 1.464,51 van appellante teruggevorderd.
Bij besluit van 5 november 2008 heeft het Uwv de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van appellante over de periode van 14 april 2006 tot en met 9 april 2008 ingetrokken. Bij besluit van 7 november 2008 heeft het Uwv een bedrag van € 23.452,40 aan ten onrechte uitgekeerde ZW-uitkering van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 3 november 2008 heeft het Uwv de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van appellante over de periode van 11 april 2008 tot en met 31 oktober 2008 ingetrokken en een bedrag van € 8.948,93 van appellante teruggevorderd.
1.2.
Bij besluit van 10 februari 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen deze besluiten ongegrond verklaard.
1.3.
Het beroep van appellante tegen het besluit van 10 februari 2009 is door de rechtbank bij uitspraak van 7 juli 2009 niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was betaald. Appellante heeft haar toenmalige gemachtigde aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade als gevolg van de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het besluit van 10 februari 2009. In het vonnis van 27 februari 2013 heeft de rechtbank geoordeeld dat de gemachtigde aansprakelijk is voor de vergoeding van de schade die appellante heeft geleden.
1.4.
Bij brief van 25 maart 2015 heeft appellante aan het Uwv verzocht om terug te komen van zijn besluit van 10 februari 2009. Appellante heeft erop gewezen dat het Uwv in de zaak van haar dochter, waarin dezelfde problematiek speelde, een gewijzigd standpunt heeft ingenomen. Dit gewijzigde standpunt is volgens appellante te beschouwen als een nieuw feit.
1.5.
Bij besluit van 9 april 2015 heeft het Uwv het verzoek van appellante afgewezen omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De beslissing die inzake de dochter van appellante is genomen, kan niet als nieuw feit worden aangemerkt.
1.6.
Bij besluit van 23 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 april 2015 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de nadere besluitvorming van het Uwv in de zaak van de dochter van appellante moet worden aangemerkt als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat er sprake is van precies hetzelfde feitencomplex.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In hoger beroep is tussen partijen in geschil of de weigering van het Uwv om terug te komen van zijn besluit van 10 februari 2009 in rechte kan standhouden. Het Uwv heeft beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.
4.2.
Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. Voor een geval als dit, waarin het bestuursorgaan – overeenkomstige – toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, vloeit uit deze uitspraak voort dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid toetst of het bestuursorgaan zich terecht en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel is gekomen dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtszoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
4.3.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.4.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellante bij haar aanvraag van
25 maart 2015 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. Het besluit van 5 november 2014, waarin het Uwv in de procedure van appellantes dochter een gewijzigd standpunt heeft ingenomen, kan niet als zodanig worden aangemerkt. De motivering door de rechtbank van het oordeel wordt geheel onderschreven en volstaan wordt met een verwijzing naar de betreffende overweging in de aangevallen uitspraak.
4.5.
In wat appellante heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.
4.6.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2018.
(getekend) A.T. de Kwaasteniet
(getekend) S.L. Alves

SS