ECLI:NL:CRVB:2018:1075

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 april 2018
Publicatiedatum
12 april 2018
Zaaknummer
17/3298 WW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Appellant stelde verzet in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en voerde aan dat hij geen inkomen had en leefde van giften, waardoor betaling niet mogelijk was. Tijdens de zitting gaf appellant aan de uitnodiging voor betaling niet goed te hebben gelezen en daardoor niet op de hoogte te zijn geweest van de mogelijkheid tot vrijstelling.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen feiten of omstandigheden had aangevoerd die konden leiden tot het oordeel dat hij niet in verzuim was geweest. Het niet goed lezen van de uitnodiging was voor risico van appellant. Het wettelijke stelsel biedt geen ruimte voor het gunnen van een nieuwe termijn voor betaling van het griffierecht.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 12 april 2018.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 12 april 2018
17/3298 WW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van
de rechtbank Midden-Nederland van 15 maart 2017, 16/1218 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 1 december 2017 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 1 maart 2018. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 1 december 2017 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In het verzetschrift heeft appellant aangevoerd dat het niet mogelijk is geweest het griffierecht te voldoen aangezien hij geen inkomen heeft en leeft van giften. Ter zitting heeft appellant te kennen gegeven dat hij de uitnodiging voor het betalen van het griffierecht niet goed heeft gelezen, waardoor hij niet op de hoogte was van de mogelijkheid een verzoek om vrijstelling in te dienen.
De Raad is van oordeel dat appellant in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim
is geweest. Dat appellant de uitnodiging voor het betalen van het griffierecht niet goed heeft gelezen, is voor risico van appellant. Het wettelijke stelsel biedt geen ruimte om appellant een nieuwe termijn voor de betaling van het griffierecht te gunnen.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2018.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) N.L. Kuipers

LO