ECLI:NL:CRVB:2018:1080

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 april 2018
Publicatiedatum
12 april 2018
Zaaknummer
17/377 ZW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55, zevende lid, AwbArt. 8:108, eerste lid, Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet niet-ontvankelijk wegens niet tijdig betalen griffierecht en overschrijding termijn

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht. Vervolgens heeft appellant verzet gedaan tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.

Het verzet is behandeld door de Centrale Raad van Beroep, waarbij partijen niet verschenen op de zitting. De Raad heeft ambtshalve onderzocht of het verzet ontvankelijk was. De termijn voor het indienen van het verzetschrift was verstreken; het verzetschrift werd na de uiterste datum ontvangen.

Appellant heeft geen reden gegeven voor de termijnoverschrijding, ondanks verzoek van de Raad. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de overschrijding verschoonbaar maken. Daarom is het verzet niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht en overschrijding van de termijn voor het indienen van het verzetschrift zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

Datum uitspraak: 12 april 2018
17/377 ZW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van
de rechtbank Oost-Brabant van 28 november 2016, 16/1650 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 18 juli 2017 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep
tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 1 maart 2017, waar partijen
– het Uwv met voorafgaand bericht – niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 18 juli 2017 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet is betaald, dat binnen de daartoe gestelde termijn geen gronden zijn ingediend en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzet.
De laatste dag waarop tijdig een verzetschrift kon worden ingediend, was 29 augustus 2017. Het door appellant ingediende verzetschrift is op 5 september 2017 per e-mail ontvangen. De termijn voor het indienen van een verzetschrift is aldus overschreden.
Bij brief van 8 september 2017 heeft de Raad bij appellant geïnformeerd naar de reden van de termijnoverschrijding. Appellant heeft daarop niet gereageerd.
Van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, is niet gebleken.
Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2018.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) N.L. Kuipers

LO