ECLI:NL:CRVB:2018:1136

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 april 2018
Publicatiedatum
17 april 2018
Zaaknummer
17/1631 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PWArt. 51 PW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor verhuiskosten en duurzame goederen wegens gebrek aan noodzakelijkheid

Appellante, een bijstandsgerechtigde onder de Participatiewet, heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor verhuiskosten en de aanschaf van meerdere duurzame goederen zoals verf, een vloer, een koelkast, bedden, een eettafel met stoelen en een fornuis. Het college van burgemeester en wethouders van Arnhem wees deze aanvraag af omdat de kosten niet als noodzakelijk konden worden beschouwd volgens artikel 35 van Pro de Participatiewet.

De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Zij oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de verhuizing en de kosten voor de vloer, verf en het fornuis medisch noodzakelijk waren, ondanks een verklaring van de huisarts en een bloedtest van haar zoon. Daarnaast werd gewezen op het feit dat reeds eerder bijzondere bijstand was toegekend voor de betreffende duurzame goederen, waardoor appellante niet had aangetoond dat vervanging noodzakelijk was.

In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen omtrent de medische noodzaak, maar de Centrale Raad van Beroep vond geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de rechtbank. De Raad bevestigde dat de aanvraag terecht was afgewezen en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor verhuiskosten en duurzame goederen wordt afgewezen wegens het ontbreken van noodzakelijke kosten.

Uitspraak

17.1631 PW

Datum uitspraak: 10 april 2018
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
2 februari 2017, 16/3489 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B. Arabaci, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2018. Namens appellante is
mr. Arabaci verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
F.S.D. de Gama.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt bijstand ingevolge de Participatiewet (PW). Op 2 maart 2016 heeft appellante bij het college bijzondere bijstand aangevraagd voor verhuiskosten alsmede voor de kosten van verf, een vloer, een koelkast, twee bedden, een eettafel met stoelen en een fornuis.
1.2.
Bij besluit van 7 maart 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 juni 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de kosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft aangevraagd niet als noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW kunnen worden aangemerkt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat bij toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW eerst beoordeeld dient te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Het ligt daarbij op de weg van de aanvrager feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die nopen tot inwilliging van de aanvraag. Niet in geschil is dat de kosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft gevraagd zich voordoen. Tussen partijen is in geschil of deze kosten noodzakelijk zijn. Naar oordeel van de rechtbank heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat haar verhuizing, en daarmee het maken van verhuiskosten, de kosten van een vloer, verf en - omdat in de nieuwe woning enkel elektrisch gekookt kan worden - de kosten van een fornuis, noodzakelijk waren. Uit de door appellante overgelegde verklaring van de huisarts van 25 mei 2016 en de uitslag van een bloedtest blijkt weliswaar dat de zoon van appellante gezondheidsklachten heeft, maar uit deze stukken blijkt niet dat in verband met deze klachten een medische noodzaak tot verhuizing bestond. De kosten die verband hielden met de verhuizing kunnen dan ook niet als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW worden aangemerkt. Met betrekking tot de aanvraag van bijzondere bijstand voor een koelkast, twee bedden en een eettafel met stoelen geldt dat op grond van artikel 51,
eerste lid, van de PW bijzondere bijstand verleend kan worden voor de kosten van aanschaf, vervanging en reparatie van duurzame gebruiksgoederen. Niet in geschil is dat het college aan appellante bijzondere bijstand heeft toegekend voor de kosten van twee éénpersoonsbedden met lattenbodems in 2011 en een koelkast en een eethoek in 2012. Ten tijde van de aanvraag beschikte appellante niet langer over deze goederen. Appellante heeft daarmee het college de mogelijkheid ontnomen te verifiëren of vervanging van deze goederen naar objectieve maatstaven gemeten noodzakelijk was. Dit komt voor haar rekening en risico. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand dan ook terecht afgewezen.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat zij met medische gegevens heeft aangetoond dat voor haar zoon een medische noodzaak tot verhuizing bestond. Het college heeft daarom ten onrechte geweigerd haar bijzondere bijstand toe te kennen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2018.
(getekend) M. Hillen
(getekend) F. Dinleyici
ew