ECLI:NL:CRVB:2018:1165
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing tenuitvoerlegging voorwaardelijk ontslag wegens gedragingen vóór proeftijd
Betrokkene was sinds 2009 werkzaam als medewerker bij een overheidsdienst. Na diverse disciplinaire maatregelen werd haar in maart 2016 een voorwaardelijk strafontslag opgelegd wegens plichtsverzuim, met een proeftijd van twee jaar vanaf het besluit. In mei 2016 werd het voorwaardelijk ontslag ten uitvoer gelegd op basis van gedragingen die dateren van vóór het voorwaardelijk ontslag, namelijk het niet naleven van werktijden en privégebruik van een mobiliteitskaart.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de tenuitvoerlegging gegrond en vernietigde het besluit. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat gedragingen van vóór het voorwaardelijk ontslag niet kunnen leiden tot tenuitvoerlegging daarvan, omdat de proeftijd pas ingaat bij het besluit zelf. Het achteraf verbinden van een proeftijd aan gedragingen uit het verleden is strijdig met het wezen van de straf.
De Raad bevestigt dat gedragingen die vóór het voorwaardelijk ontslag zijn gepleegd, maar pas later bekend werden, wel aanleiding kunnen zijn voor een andere disciplinaire straf, los van de tenuitvoerlegging. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beslissing op bezwaar, waarbij de toerekenbaarheid, evenredigheid en betwisting van de gedragingen volledig moeten worden beoordeeld.
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de Minister wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de herroeping van het tenuitvoerleggingsbesluit wordt vernietigd, met opdracht tot nieuwe beslissing op bezwaar.